Services >> DNA >> Casework

Sporenonderzoek

Sidebar Image

In het DNA-laboratorium begint het onderzoek naar biologische sporen begint met de criminalistische analyse van de overtuigingsstukken. De aangeleverde overtuigingsstukken worden eerst aan een minutieus onderzoek naar de aanwezigheid van biologische sporen onderworpen en er wordt geprobeerd om de aard hiervan vast te stellen. In eerste instantie is het sporenonderzoek altijd gericht op de klassieke biologische sporen bloed, sperma, speeksel en haren. Eerst worden de haren veiliggesteld die op het overtuigingsstuk aanwezig zijn. Afhankelijk van de onderzoeksvraag en de context van de zaak vindt vervolgens onderzoek plaats naar de aanwezigheid van bloed, sperma of speeksel. Bij geweldsmisdrijven worden overtuigingsstukken onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Bij het forensisch onderzoek van zedendelicten staat over het algemeen het onderzoek naar spermasporen centraal. Opsporen van speekselsporen is zinvol bij maskers, bivakmutsen, peuken, kauwgom en drinkranden van bijvoorbeeld flesjes, blikjes of glazen. Speekselonderzoek kan ook een belangrijke rol spelen in het onderzoek van zedendelicten. Om deze sporen te vinden wordt gebruik gemaakt van forensische lichtbronnen, een stereomicroscoop en chemische en immunologische testen.

Uit de veiliggestelde biologische sporen wordt het DNA geïsoleerd. In een volgende stap wordt het DNA van de te onderzoeken loci vermeerdert met de zogenoemde ‘Polymerase Chain Reaction’ (afgekort als ‘PCR’) techniek. In het laboratorium worden de DNA-kenmerken van ten minste vijftien verschillende, over het DNA verspreide loci bepaald. Hiertoe worden altijd dezelfde loci onderzocht voor de sporen en de referentiestalen. Deze loci worden met specifieke codes aangegeven, zoals D3S1358, vWA, FGA, TH01, D21S11, D8S1179, D18S51, D10S1248, D1S1656, D12S391, D2S441,  D22S1045, TPOX, CSF1PO, D5S818, D13S317, D7S820, Penta E, Penta D, D16S539, D2S1338, D19S433, SE33 en CD-4. Elk locus heeft zijn eigen set mogelijke DNA-kenmerken. De DNA-analyseapparatuur geeft de DNA-kenmerken van de loci weer als pieken. De hoogte en breedte van een piek weerspiegelt in welke mate -in welke hoeveelheid- het DNA-kenmerk aanwezig is. Een enkelvoudig DNA-profiel wordt weergegeven als een patroon van pieken, met voor elk locus één of twee pieken. Wanneer het DNA-profiel van een spoor bestaat uit celmateriaal van meer dan één persoon, is er sprake van een DNA-mengprofiel. Vervolgens vergelijkt de deskundige het verkregen DNA-profiel van een biologisch spoor met DNA-profielen van andere biologische sporen of met DNA-profielen van verdachten, slachtoffers of andere betrokkenen. Zijn DNA-profielen (van een spoor en een verdachte) aan elkaar gelijk, dan spreekt men van een ‘match’.

Naast autosomaal DNA-onderzoek maakt het laboratorium bij casework ook gebruik van Y-chromosomaal DNA-onderzoek en mitochondriaal DNA-onderzoek. DNA-onderzoek op het Y-chromosoom wordt voornamelijk gebruikt bij zedenfeiten, als een kleine hoeveelheid mannelijk DNA van de dader vermengd is met een grote hoeveelheid vrouwelijk DNA van het slachtoffer. Mitochondriaal DNA-onderzoek is een optie als er in het te onderzoeken biologische materiaal (nagenoeg) geen celkern DNA aanwezig is, zoals bij haren zonder wortel. Y-chromosomaal DNA wordt onveranderd overgeërfd van vader op zoon terwijl alle in de vrouwelijke lijn verwante familieleden hetzelfde mitochondriale DNA-profiel bezitten, waardoor de bekomen DNA-profielen verre van persoonsspecifiek zijn. Daarom geldt dat als Y-chromosomaal DNA-onderzoek of mitochondriaal DNA-onderzoek resulteert in gelijke DNA-profielen van een spoor en een persoon, dit gegeven slechts bruikbaar is als aanvullend bewijs. Wel is het zo dat als Y-chromosomaal DNA-onderzoek of mitochondriaal DNA-onderzoek uitwijzen dat de profielen van het spoor en het referentiemonster van elkaar verschillen, men de desbetreffende persoon kan uitsluiten als celdonor van het spoor.